Welkom Nieuws Onze Acties Evaluatie 2021 Doe Mee

STOPafvalwaterTWENTE © 2021

info@STOPafvalwaterTWENTE.nl

CE-methode:

De formele CE methode staat beschreven in het volgende document:

     “CE Delft - Met Water de Diepte in”



Een verdere uitleg over deze methode vindt u hieronder:








De CE-methode: "Met water de diepte in"


De CE methode is een afwegingsmethodiek voor vergunningen rond diepe injectie van waterstromen van olie- en gaswinning.


Opdrachtgever:  Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM)

Opdracht aan:   CE Delft

CE Delft is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau, gespecialiseerd in het ontwikkelen van structurele en innovatieve oplossingen voor milieuvraagstukken.
Kenmerken van CE-oplossingen zijn: beleidsmatig haalbaar, technisch onderbouwd, economisch verstandig maar ook maatschappelijk rechtvaardig.

 


Samenvatting van het rapport "Met water de diepte in", CE Delft 2002


Leeswijzer


De paragraaf ‘aanleiding’ is wat uitgebreider uitgeschreven, zodat je ziet wat er met de CE-methode werkelijk verandert in het milieubeleid van de overheid.

Daarna beschrijft hoofdstuk 1 heel kort de verschillende blokken, die je in figuur 1 ziet, zodat je een overzicht krijgt. Vervolgens geeft hoofdstuk 2 een paar discussiepunten, die de steakholders destijds belangrijk vonden; dit om een indruk te krijgen hoe het gesprek verliep.

De CE- methode heeft uiteindelijk geleid tot een invulling door CE Delft, zoals beschreven in hoofstuk 3.

Aan het eind formuleert CE-Delft in hoofdstuk 4 nog een aantal aanbevelingen.



Aanleiding


Bij de herontwikkeling van een olie- of gasveld moesten grote hoeveelheden productiewater verwerkt worden. Er was bij de planning van de herontwikkeling van het olieveld in Schoonebeek en Borgsweer geen duidelijke wetgeving rondom het injecteren van productiewater. Daarom vroeg de NAM aan CE Delft om een afwegingsmethodiek te ontwerpen, die de injectie zou inbedden in bestaande wetgeving.

Het Landelijk Afvalbeheer Plan (LAP), gebaseerd op het voorzorgprincipe en de Ladder van Lansink stond in principe geen lozing in de ondergrond toe, mits door onderzoek kon worden aangetoond dat injectie milieuhygiënisch gezien de voorkeur verdiende of dat de kosten van alternatieven niet in verhouding stonden tot de milieuhygiënische voordelen.


Het voorzorgprincipe bouwt voort op het idee, dat we niet alle gevolgen van onze ingrepen in de wereld kunnen voorzien, waardoor voor een ingreep in het milieu eerst aangetoond moet worden dat deze geen schade toebrengt voor nu en voor latere generaties. Analoog hieraan kun je denken aan de toelatingseisen voor een medicijn, dat pas verkocht mag worden wanneer is aangetoond dat het geen schade toebrengt.

De Ladder van Lansink bouwt hierop voort. Het is een lijst met voorkeursopties met betrekking tot de impact op het milieu van grote en minder grote activiteiten. Daarbij wordt volgordelijk de voorkeur gegeven aan mogelijkheden om schade aan de bron te voorkomen, aan recycling van gebruikte materialen en uiteindelijk aan lozing in het milieu. Ook hier geldt, dat de producent om uiteenlopende redenen moet aangeven waarom naar zijn mening een optie uit een lagere categorie de voorkeur verdient.


De diepe ondergrond ligt buiten de biosfeer. Het productiewater kan door injecteren in de diepe ondergrond buiten de biosfeer op een voor organismen veilige plaats opgeslagen worden. De levenscyclusanalyse (LCA) neemtx de diepe ondergrond niet mee, omdat daar geen organismen leven. Daardoor valt een (milieu-)vergelijking tussen injecteren en bovengrondse verwerking met een LCA altijd in het voordeel van injectie uit.

Op basis van dit gegeven zag het ministerie van milieu (VROM) indertijd onvoldoende grond om het verbod op injecteren in de ondergrond (voorzorgprincipe en Ladder van Lansink) te wijzigen.

Met name bodemeigenheid en terugneembaarheid (ijkpunten in het LAP) werden als bezwaren tegen injectie genoemd. Leidinggevend hierbij is het uitgangspunt, dat ‘de bodemkwaliteit in de diepe ondergrond niet mag verslechteren’. Terugbrengen ter plaatse met zo min mogelijk mijnbouwhulpstoffen vond men daarentegen niet bezwaarlijk.


Het voorliggende probleem:

De vraag in de afweging, wèl of niet injecteren, luidt in feite:

Is het qua risico’s en/of bedreiging van het milieu beter om (A) een groot volume productiewater voor eeuwig in de ondergrond te brengen of (B) het productiewater met de daarvoor benodigde energie te scheiden en het residu bovengronds op te slaan of te hergebruiken”.


De werkwijze:

Het rapport is door CE Delft geschreven met medewerking (consultatie en interviews) van de verschillende partijen, die in het traject van vergunningverlening een rol speelden. Het gaat hierbij om NAM, SodM, VROM, MEZ, provinciale overheid, waterschap, TNO en RoyalHaskoning. Het voorstel van CE Delft is in een afsluitende workshopbijeenkomst met alle deze partijen besproken.


1 De methodiek in het kort


In de besluitvorming staan drie blokken centraal:













































De randvoorwaarden:

De randvoorwaarden bepalen of een project überhaupt door kan gaan. De beoordeling hiervan is door het bevoegd gezag. Randvoorwaarden kunnen per project variëren. Voor de olieproductie in Schoonebeek zijn dit:


Het afwegingskader:

In het afwegingskader worden kosten, risico’s en milieueffecten in kaart gebracht:


De eindafweging:

Uiteindelijk neemt het bevoegd gezag de beslissing op basis van:



2  Belangrijke punten die uit de interviews en de afsluitende workshopbijeenkomst naar voren kwamen:




3  De methodiek uitgewerkt volgens CE Delft


3.1 De randvoorwaarden

De randvoorwaarden zijn:


Wateronttrekking:

Het effect van wateronttrekking is per locatie verschillend (vergelijk bijvoorbeeld Zeeland met Drenthe) en wordt dan ook per locatie bekeken. Belangrijk hierbij is dat wateronttrekking uit de biosfeer permanent is en dat watersuppletie bij volledige zuivering ook werkelijk extra water toevoegt. Wanneer wateronttrekking volgens de watertoets is goedbevonden, is daarmee aan de voorwaarde voldaan en wordt dit element niet verder meegenomen in de afweging en de LCA.


Alternatief gebruik:

Hier stelt men, dat er concurrentie is en dat terugneembaarheid een alternatief gebruik in de toekomst mogelijk maakt.


Terugneembaarheid:

Eigenlijk is alleen water geinjecteerd in voormalige gas en olievelden terugneembaar. Water in een aquifer verdunt zich en water in een zoutlaag heeft oplossen van zout tot gevolg.


Waterstromen:

Men vindt dat alle waterstromen uit de olie- en gasindustrie geïnjecteerd kunnen worden.


Bodemeigenheid, vergelijkbare formatie:

Het gaat hier om een concretisering van het voorzorgprincipe. Door de terugneembaarheids-eis wordt hieraan voldaan.


Bodemeigenheid, vergelijkbare samenstelling:

Het gaat hierbij om een concretisering van het voorzorgprincipe. De diepe ondergrond bevat formatiewater. Een maximale afwijking van 10% is toegestaan. Mijnbouwhulpstoffen ALARP (as lean as reasonably possible) toegestaan. Wel kun je verdunnen met schoon water.


Rangorde van verwijderingsmethoden:

Als men storttechnieken wil ranken ten opzichte van elkaar op basis van risico’s voor mens en milieu, dan kunnen we concluderen dat het in veel gevallen meer passend zou kunnen zijn om te streven naar zo min mogelijk bovengrondse opslag. Er wordt door enkele partijen toch waarde aan gehecht om een rangorde te hanteren. Zo’n rangorde kan bovendien gebruikt worden als hulpmiddel om te zoeken naar alternatieven. Daarna worden voor deze alternatieven gegevens in kaart gebracht en wordt een beoordeling gemaakt. Deze werkwijze sluit aan bij die in het LAP; er kan van de minimumstandaard worden afgeweken als wordt aangetoond dat het alternatief de voorkeur verdient.



3.2 Het afwegingskader

De afweging is op basis van:


De milieuaspecten:

Er worden drie methodes van een LCA gebruikt die inzicht geven in de milieueffecten van de verschillende waterbehandelingsmethoden:


Waterverbruik kan positief of negeatiefbijdragen. Het staat daarom bij de randvoorwaarden, waardoor het niet meer n de LCA wordt meegenomen.

De LCA richt zich alleen op de biosfeer, dat wil zeggen bovengrondse activiteiten en de ondiepe ondergrond.


De operationele risico’s:

Er zijn milieurisico’s, zoals weglekken van zout uit een zoutopslag en lekkage van leidingen en putten. Ook opslag of verwerking van waterbehandelingsresiduen spelen een rol.

Er zijn veiligheidrisico’s, zoals ongelukken met vrachtwagens bij vervoer.

Er zijn mogelijk ondergrondse effecten tijdens de operatie, waardoor bodemtrillingen kunnen optreden met lekkage van het reservoir als gevolg.


Indien milieurisico’s bekend zijn (uit vergelijkbare situaties) kunnen ze worden meegenomen in de LCA. Anders worden ze niet meegenomen. Risico’s door processen in de diepe ondergrond worden als minimaal bestempeld.


De lange termijn risico’s:

Hier zijn bodembeweging op de lange termijn door het bevoegd gezag moeilijk te beoordelen. Advies van TNO is dan een mogelijkheid.


De kosten:

De kosten worden berekend volgens de VROM milieukostenmethodiek.



3.3 De eindafweging


De afweging wordt gemaakt door het bevoegd gezag op basis van ofwel:


Zwaartepunten eigen beleid:

Het beleid van de overheid kan gedomineerd worden door kosten, door het voorzorgprincipe en de Ladder van Lansink of andere beleidsdoelen en daarmee de afweging sturen.


Maatschappelijke consultatie:

Bij de meer complexe projectenx waarvoor een MER wordt opgesteld, is doorgaans sprake van een groot aantal alternatieven dat tegen elkaar afgewogen moet worden op basis van een groot aantal (milieu-) criteria. Door dit grote aantal alternatieven en criteria wordt de informatie moeilijk toegankelijk en daarmee minder geschikt als hulpmiddel bij de besluitvorming. Men gebruikt dan de zgn. multicriteria-analyse.


De multicriteria-analyse (MCA) is een vergelijkingsmethode gericht op het selecteren en/of vergelijken van alternatieven in een MER, waarbij door middel van gewichtentoekenning aan kwantitatieve en kwalitatieve beoordelingscriteria en toepassing van specifieke rekenregels tot een overzichtelijke rangschikking van alternatieven wordt gekomen.


Normen en kosten-batenanalyse:

(Milieu-)kosten zijn voor bovengrondse waterbehandeling altijd hoger dan voor injectie. Daar zit dus een probleem. Dit impliceert, dat alleen bij een negatief advies over de lange termijn risico’s door een extern onafhankelijk bureau de injectie gestopt zou kunnen worden.



4  Aanbevelingen door CE Delft aan de overheid (en/of de NAM?)




Harbrinkhoek/Ootmarsum, 14 mei 2020,

Lucas Goldsteen, Gerard Hassink



Download printvriendelijke versie:

CE-methode_samenvatting.pdf

Lees ook:

Milieu_en_risico_injectie.pdf